Besturen: van, voor en door leraren?

Meer politieke aandacht voor de docent in mbo.

Opinie | door Marc Van der Meer & Renée van Schoonhoven
15 november 2017 | We hebben sinds kort een minister ván en een minister vóór onderwijs. Overduidelijk is dat zij beiden staan voor het motto ‘van, voor en door leraren’. De leraar mag ook bij het nieuwe kabinet een belangrijk deel van de beleidsmatige en politieke aandacht op eisen. En dat is niet meer dan terecht, aangezien in alle onderwijssectoren, ook in het beroepsonderwijs, geïnvesteerd moet worden in de onderwijsprofessionals. In deel 12 van deze serie over het mbo schetsen Renée van Schoonhoven en Marc van der Meer een beeld van de stand van zaken van de (mede)zeggenschap, in potentie de ultieme vorm van professionalisering.
(foto: Sander Morel)

Zeggenschap in het mbo op de kaart

In 2009 is in de cao voor het mbo een Professioneel Statuut opgenomen. Daarin staat dat docententeams in de onderwijsinstelling de belangrijkste eenheid van handelen zijn. Ieder team heeft een leidinggevende en docenten moeten zich kunnen ontwikkelen. Daarmee zijn op de werkvloer de gezagsverhoudingen voorzien van een duidelijke richting.

Het beginsel dat de docent professionele ruimte nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen houdt tevens in dat er afspraken worden gemaakt over de organisatie van de zeggenschap in en rondom het team. Bij deze filosofie past dat in 2010 de Wet op de ondernemingsraden (OR) is ingevoerd. De ondernemingsraad ziet namens de medewerkers toe op de vraag of de professionalisering ook tot stand komt en op de faire bedrijfsvoering (dus op de verdeling van middelen per team).

Deze praktijk van professionalisering in het mbo heeft inmiddels als goed voorbeeld gediend voor het primair en voortgezet onderwijs. Sinds augustus 2017 is ook voor deze scholen de professionele zeggenschap van leraren in de onderwijswetgeving opgenomen. De po- en vo-besturen moeten nu ook met leraren om de tafel om afspraken te maken over hoe de zeggenschap kan worden opgenomen in professionele statuten.

De basis voor goed bestuur

Er zijn dus verschillende ankers in de wetgeving opgenomen waarmee de (mede)zeggenschap van de professionals in het beroepsonderwijs wordt erkend (Brekelmans & Van Es, 2016; Van Schoonhoven, 2016a). Dat is een belangrijke stap voor verdere modernisering van de arbeidsverhoudingen in het onderwijs. Het stadium dat dit allemaal niet hoeft zijn we dus inmiddels wel gepasseerd.

Gezonde zeggenschap vormt de basis voor de professionele dialoog in teams, opleidingen en binnen de instelling. Het gaat erom dat er constructief verschil van mening moet kunnen zijn in een team of in de organisatie, zonder dat dit de arbeidsrelatie belast (Van der Meer en Smit, 2010; Van der Klink en Nieuwenhuis, 2017).

Deze dialoog moet ook bijdragen aan goed bestuur. Sinds 2006 is er in het mbo sprake van een Code goed bestuur, die in 2014 nog is herzien. Deze code erkent het belang van professionele tegenspraak, bijvoorbeeld van de ondernemingsraad en van externe stakeholders. Maar lukt het om die professionele dialoog tot stand te brengen? Een voorzichtige rondvraag in het mbo, onder actieve leden van ondernemingsraden, levert ons de volgende beelden op.

Lukt het ook met de dialoog?

Enerzijds zijn docenten en OR-leden niet altijd even positief over leidinggevenden en mbo-bestuurders: ‘Zij van boven hebben weer wat bedacht…’ En omgekeerd leeft dat beeld ook: ‘Het gaat prima met mijn school, alleen de medezeggenschap vind ik echt een opgave…’ En hoe om te gaan met de recente uitbreiding van instemmingsrechten: ‘Is dat wel de weg om op te gaan…?’ Actieve docenten en OR-leden melden ook dat ze zich uitputten in de informatieverstrekking naar de achterban. De websites puilen uit, maar ‘wie heeft nog tijd om dat allemaal te lezen…?’ De werkdruk onder de collega’s is immers behoorlijk hoog.

Anderzijds is er het besef dat de dialoog van docenten onderling en tussen hen en leidinggevenden en bestuurders nog onvoldoende wordt gevoerd. Dat er nog te weinig wordt uitgesproken over wát men in het onderwijs aan kwaliteit wil realiseren, hoe dat kan worden gerealiseerd en welke resultaten (al dan niet) worden bereikt. Daarmee komen  – naarstig gewenste – leerprocessen nog onvoldoende tot bloei.

In dat verband wordt de wéns uitgesproken dat dialoog en verantwoording in een nieuwe fase moeten worden gebracht. Dat is immers nodig voor beter onderwijs, dat belang ziet men wel degelijk in. Maar ook hierbij worden hobbels genoemd: er moet meer respect voor elkaar en elkaars positie worden getoond; het vertrouwen moet groeien; de dialoog moet in álle lagen plaatsvinden, het bestuur of middenkader moet dit wel dúrven en meer openheid geven, enzovoorts.

Geen empirische vergelijkingsbasis

Het is overigens lastig om de uitkomst van onze rondvraag te duiden in het licht van relevante empirische bronnen. In een recent overzicht (Van Schoonhoven 2016b), luidt de belangrijke constatering namelijk dat we niet weten hoe de formele versterking van de (mede)zeggenschap in het beroepsonderwijs die in de afgelopen jaren is doorgezet, in de praktijk uitpakt. Daarvoor is eenvoudigweg te weinig relevant feitenmateriaal voorhanden. Uiteraard zijn er (voortgangs)rapportages over governance in het mbo, maar deze dragen vaak een overall karakter en gaan niet in op de nitty gritty details van (mede)zeggenschap. Recente onderzoeken naar het functioneren van (mede)zeggenschap in het mbo zijn niet voorhanden.

De praktijk van horizontale verantwoording in het mbo, die wordt genoemd in de recente regeringsverklaring, is in onderwijsonderzoek een blinde vlek. De ambitie is om de positie van het mbo in de regio te versterken en dus ook om vormen van regionale verantwoording te ontwikkelen. Maar wat dan de verhouding is van de regionale verantwoording met de reguliere verticale verantwoording naar het departement is onduidelijk.

We moeten vaststellen dat anno 2017/ 2018 de praktijk van de (mede)zeggenschap voor ons allen in feite één grote black box is. We weten niet goed óf er iets in zit, zo ja: wat dat dan is en – belangrijk! – hoe we het kunnen verbeteren. Want dat laatste willen we allemaal wél. En de politiek wil dat ook, en zal blijven zoeken naar wegen en formele instrumenten om de(mede)zeggenschap verder uit te bouwen. Met als uiterste variant dat de politiek stelt dat het bestuursmodel als zodanig dan maar moet veranderen: een bestuur van, voor en door leraren, want dat is de ultieme zeggenschap.

Reflectie en initiatief nodig

Twee lijnen zouden hierin verandering kunnen brengen. Ten eerste zouden bestuurders en leidinggevenden zich meer moeten afvragen: hoe zit het bij ons met dat motto ‘van, voor en door leraren’? Maken we daar werk van? Investeren we echt in het op gang helpen van de professionele dialoog en – in breder opzicht – de horizontale verantwoording van en door onze instelling? Wat is daarbij de rol van het leidinggevende kader? Welke slimme oplossingen (werkgroepen, heidagen, intranet, gedelegeerde verantwoordelijkheid et cetera) worden gevonden om mogelijke bestuurlijke drukte te ontlasten. En leidt dat tot merkbare resultaten? Of laten we het jaarlijks bij de ietwat obligate paragraaf in het jaarverslag, waarmee we in ieder geval aan die verplichting uit de governance-code hebben voldaan?

Onderzoek in het mbo relatief ondergewaardeerd

Ten tweede: versterk een onderzoekende houding! Een jaar of tien geleden was het uitgangspunt dat onderwijsbeleid voor alles ‘evidence based’ moet zijn. Zo ver kan de ambitie niet gaan in het mbo, waar onderzoek relatief ondergewaardeerd is. Laten we beginnen met meer ‘evidence informed’ handelen gericht op onderlinge communicatie en participatie (Klatter en Van der Meer, 2017).

Dat geldt wat ons betreft ook voor het beleid met betrekking tot horizontale verantwoording en (mede)zeggenschap in het mbo. Een regelmatige peiling is een noodzakelijke voorwaarde om tenminste te kunnen beoordelen wat er gebeurt. Als je niet weet hoe het werkt, kun je het namelijk ook niet verbeteren.

Marc Van der Meer :  Bijzonder hoogleraar Onderwijsarbeidsmarkt Tilburg University

Renée van Schoonhoven :  Bijzonder hoogleraar Onderwijsrecht

Renée van Schoonhoven is bijzonder hoogleraar Onderwijsrecht aan de met betrekking tot het beroepsonderwijs aan de Vrije Universiteit. De leerstoel is ingesteld door de Stichting Bijzondere Leerstoelen Onderwijsrecht (SBLO). Van Schoonhoven houdt zich bezig met de wet- en regelgeving die relevant is voor het beroepsonderwijs.

Literatuurverwijzingen

F. Brekelmans & M. van Es

De verzelfstandiging van de positie van de leraar in met name het voortgezet onderwijs. In: M.T.A.B. Laemers (red.), Academische vrijheid: een voorbeeld voor professionele autonomie? Symposiumbundel Nederlandse Vereniging voor Onderwijsrecht. Den Haag: SDU 2015, p. 99-116.

F. Brekelmans & M. van Es

Lerarenregister en registervoorportaal’. In: School en Wet, oktober 2016, p. 5-8.

E. Klatter & M. van der Meer

Een lerende instelling’. In: Scienceguide, 14 maart 2017.

M. van der Klink & L. Nieuwenhuis

Op zoek naar constructief conflict’. In: Scienceguide, 28 maart 2017.

M. van der Meer & E. Smit

‘Medezeggenschap en organisatieontwikkeling: vier scenario’s in de praktijk’, Assen: Van Gorcum, 2010.

R. van Schoonhoven

Horizontale verantwoording in het mbo: ingehaald door een nieuwe werkelijkheid? Amsterdam: VU 2016b.

R. van Schoonhoven

‘Sturen op teams in het mbo: via statuut, wet of professionals?’ In: NTOR, 2016a, 4, p. 239-254.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«